Harry Mulisch

Harry Mulisch
  
Kroonprins


De heer Tiennoppen wipte op zijn tenen en floot het hoogste lied. De nazomer was in volle gang. In de bomen pakten de sappen hun biezen, maar nog was alles groen, de zon scheen, niet meer teisterend, al met de mildheid van de ouderdom. Het was beter, duizend keer beter dan in de lente! Gekleed in een wit zomerpak, een gele strohoed op zijn hoofd, stond de heer Tiennoppen aan de rand van het plantsoen tegenover het raadhuis en floot en wipte. Dit was de dag van het jaar, sinds maanden had hij zich niet zo gelukkig gevoeld. Het was druk en de mensen lachen, nog nooit waren de trams in de straten zo opgetogen geweest.

     De heer Tiennoppen had de dag aan zijn lippen gezet en genoot hem ad fundum, en deze dag zou hij niet een dag ouder worden maar een jaar jonger. Hij hield van de mensen. Vol instemming keek hij de dingen aan, de auto’s, de fietsers, het raadhuis. Floris V had er nog gewoond, maar nu had het zijn belegen ouderdom afgelegd en danste mee, een passacaglia in de nazomerzon. De deuren waren erg laag, men was klein in die dagen, ook aan de harnassen had de heer Tiennoppen het vaak gezien. Het mensengeslacht wordt steeds groter, overwoog hij: zoölogisch beslist een teken van het naderende einde. Brontosauriërs stierven uit, bacillen hebben het eeuwige leven. Wie groot wordt is de dood nabij, overwoog de heer Tiennoppen. Hij glimlachte en wipte op zijn tenen. Wat maakte het uit? Hij tuitte zijn mond en floot een harde toon, veel te hard, zodat het geluid uitgleed in een vergeefs blazen.

     ‘Pardon, meneer,’ vroeg toen plotseling een stem naast hem, ‘neemt u me niet kwalijk... is er wat te zien?’

     De heer Tiennoppen keek op zij en zag een oud mannetje, dat met zijn pijp naar het raadhuis wees.

     ‘Hoezo? Het stadhuis, ja.’

     De man, waarschijnlijk een gepensioneerde, keek onderzoekend naar de ramen en het bordes. Zijn kleding was van een sjofele keurigheid.

     ‘Is er soms een binnenlands staatshoofd of zo?’ vroeg hij weer.

     ‘Niet dat ik weet,’ zei de heer Tiennoppen en haalde zijn schouders op. ‘Ik geloof het niet, ik sta hier al een hele tijd.’

     ‘Waarom staat u hier dan?’


     ‘Waarom wilt u dat weten?’


     ‘O, u is zeker van de politie.’


     De heer Tiennoppen lachte.


     ‘Ik sta hier omdat de zon schijnt,’ zei hij.


     De gepensioneerde zag hem verbaasd aan en begon toen te lachen als een geit. ‘Maak dat uw grootje wijs!’ riep hij uit. ‘U staat hier omdat er iets aan de hand is, daar, in het stadhuis’ – weer wees hij ernaar. ‘Waarschijnlijk ontvangt de gemeenteraad een buitenlands staatshoofd. Waarom wilt u dat voor uzelf houden?’

     De heer Tiennoppen haalde zijn schouders op.

     ‘Gelooft u maar gerust, dat er een buitenlands staatshoofd is. Wat mij betreft, gaat uw gang, – alleen, valt u mij niet langer lastig.’

     ‘Van welk land?’ vroeg de man gretig.

     ‘Misschien wel de kroonprins van Bessarabië,’ opperde de heer Tiennoppen, ‘wie zal het zeggen?’ Hij knikte glimlachend, deed enkele passen opzij en floot het hoogste lied.

     Zo is de wereld goed, overwoog hij: in de nazomer een gepensioneerde om de tuin te leiden. Wat bleef er voor een mens dan nog te wensen over? Kijk, ook de trams en de gebouwen waren aan het lachen, zelfs enkele schoorstenen giechelden verstolen. De heer Tiennoppen hield op met fluiten en liet zich geheel en al verzinken in de dag.

     Toen er wat later een paar mensen tegen hem aanstootten, schrok hij op uit zijn mijmerij. Om de gepensioneerde had zich een aanzienlijke groep gevormd: verscheidene andere gepensioneerden, vele huisvrouwen en een hele troep schoolkinderen. Allen waren druk aan het praten, steeds met een opgewonden blik naar het raadhuis. Een paar fietsers stapten af, even later stopte ook een man met een bakfiets en weer voegden passerende voetgangers zich bij de samenscholing. Nu en dan wees de gepensioneerde met zijn pijp naar de heer Tiennoppen, waarna allen zijn kant opkeken en dan snel weer naar het raadhuis, opdat niets hun zou ontgaan.

     De heer Tiennoppen had neiging om op zijn voorhoofd te wijzen, maar hij liet het na, ook toen één der fietsers hem vroeg, hoe laat de kroonprins naar buiten zou komen. Hij gaf geen antwoord en ging weer wat opzij. De groep nam nu snel in omvang toe, er stonden zeker vijftig mensen. Hij besloot, zich nergens iets van aan te trekken en te doen of zijn neus bloedde. Hij drukte zijn zakdoek tegen zijn neus en genoot van de stad. Het weer werd niet minder mooi en in het raadhuis had Floris V nog gewoond. Het was een prachtig bouwwerk.

     Weer werd hij met vragen lastiggevallen; nu stonden de mensen zelfs al aan zijn andere kant. De heer Tiennoppen nam zich stellig voor, geen duimbreed meer te wijken. Enkele minuten later was hij geheel door de toeschouwers ingesloten. Even sloeg de schrik hem om het hart toen hij zag, wat een omvang de oploop begon aan e nemen, maar hij beheerste zich. Hier en daar stond al een agent van politie erop toe te zien, dat alles ordelijk verliep. Uit alle straten repten de nieuwsgierigen zich nu naderbij, opgewonden om inlichtingen vragend, – en nog vele malen wees de gepensioneerde met zijn pijpje naar de heer Tiennoppen.

     Deze was inmiddels door een hevige koppigheid overmand. Hij werd naar links en rechts geduwd en aan alle kanten kwetterden de mensen. Vele kinderen huilden of zaten op de schouders van vaders en bliezen op toeters. Ook uit de vensters der belendende huizen leunden reeds toeschouwers, sommigen met jas en hoed: waarschijnlijk kon men er plaatsen huren. Ergens werd een vlag uitgestoken, en weldra wapperde onze nationale driekleur van alle gebouwen. Haringmannen reden langzaam hun karretjes langs de menigte en deden goede zaken. Uit verscheidene ramen werden serpentines over de mensen geworpen. De politie was eveneens grootscheeps in actie gekomen. Motoren met zijspan daverden af en aan, en in een donkerblauwe politiejeep arriveerde een hoog officier, waarschijnlijk de commissaris. Auto’s waren er niet meer te zien; denkelijk was het verkeer omgelegd. Ook de trams waren verdwenen.

     De heer Tiennoppen begon het warm te krijgen en voelde zich onwel. Achter hem drongen de mensen onstuimig op, en toen de politie hand in hand een kordon had gevormd, was hem geen enkele uitwijkmogelijkheid gelaten. Weggaan kwam overigens niet in aanmerking. Men zou hem leren kennen. Hij wenste van de nazomer te genieten, jawel, tegen dood en duivel op! Hij ging op zijn tenen staan en keek om zich heen. Heel het plein was één golvende hoofdenvijver. Men zou snel en zonder mankeren over de schedels van het ene eind naar het andere kunnen lopen, zonder veel gevaar om er in weg te zakken. De heer Tiennoppen sloot even zijn ogen en keek toen nogmaals, als drong de situatie pas nu tot hem door, en hij begon te beven van schrik. Op hetzelfde ogenblik hief de massa het volkslied aan.

     Sidderend ontblootte de heer tiennoppen zijn hoofd, terwijl het angstzweet hem uitbrak. Het gezang was erg ongelijk: verderop was men al met de Koning van Hispanië bezig, terwijl men hier nog bij den doet verwijlde. Radeloos vernielde de heer Tiennoppen zijn strohoed. Wat moest hij doen? Het volk zong en verlangde – mocht hij het in de waan laten? Het was hem of de verantwoordelijkheid als een planeet in zijn nek rustte. Alles was immers zijn schuld, zijn schuld! Zijn schuld?

     ‘Hiep-hiep-hiep...!’

     ‘Hoera!!’


     ‘Hiep-hiep-hiep...!’


     ‘Hoera!!’


     ‘Er is geen kroonprins!’ brulde de heer Tiennoppen – en niemand die het niet verstaan had.
 Als een doodslaken daalde de stilte over de menigte.
Bleek als een gestorvene staarde de heer Tiennoppen in de myriaden ogen, bewoog nog eens zijn mond, maar geen geluid kwam er meer uit: al het beschikbare had hij reeds uitgeschreeuwd. Ook een gebaar, dat hij wilde maken, kwam niet uit de verf. Hij begon te schudden van ellende.

     Toen, in twee groepen, kwam het antwoord der mensen. De ene helft begon gillend te lachen en te joelen om de absurditeit van zijn opmerking, het andere deel ontstak in een vreselijke woede. Velen worstelden zich tierend en scheldend een weg naar hem toe; iemand gaf hem een zet, zodat hij wankelde, van achteren kreeg hij een hevige slag.

     ‘Ik spreek de waarheid,’ kermde hij nog, terwijl een agent hem buiten het kordon sleurde. Hij draaide zich om en stond oog in oog met het woedende en lachende volk.

     ‘Maak dat u wegkomt,’ gelastte de agent hem toen hij weer wat wilde zeggen, en gaf hem een duw. ‘Daar, de Koningstraat is opengehouden.’

     Achtervolgd door de kreten en het gelach, de flarden van zijn strohoed nog in zijn handen, strompelde de heer Tiennoppen wenend door het afgezette deel naar de Koningstraat, waardoor een fanfareorkest kwam aanmarcheren. Toen hij bij de hoek was, nam het tumult der mensen plotseling onmatige, loeiende vormen aan. Hij keek om en zag nog juist hoe, minzaam glimlachend in zijn witte boernoes, de kroonprins van Bessarabië op het bordes verscheen.

 


#zomer#degrotedrie

Zoemer.nl is een initiatief van Theo Knippenberg en Uitgeverij De Bezige Bij